Omhoog

Sura As-shaffât

Kur’an’i kerim 37 102-113

De zich opstellenden /
in rijen geschaarden

Qur’an NL 37 102-113

102. Babasıyla beraber yürüyüp gezecek çağa erişince: Yavrucuğum! Rüyada seni boğazladığımı görüyorum; bir düşün, ne dersin? dedi. O da cevaben: Babacığım! Emrolunduğun şeyi yap. İnşallah beni sabredenlerden bulursun, dedi.

102. En toen deze de knapenleeftijd bereikte [*], zei hij: "O mijn lieve zoon, ik heb in een droom gezien, dat ik u heb te offeren. Zie, wat zegt gij daarvan?" Deze antwoordde: "O mijn vader doe zoals u bevolen is, gij zult mij, indien God het wil, zeker geduldig [**] vinden."
 
[*] Beter: de leeftijd bereikte dat hij Abraham kon helpen.
[**] inschikkelijk, gehoorzaam

103. Her ikisi de teslim olup, onu alnı üzerine yatırınca:

103. En toen zij zich beiden aan (Gods bevel) hadden onderworpen, en hij hem plat op zijn voorhoofd had gelegd,

104. Biz ona: " Ey İbrahim!" diye seslendik.

104. Riepen Wij hem toe: "O Abraham,

105. Rüyayı gerçekleştirdin.Biz iyileri böyle mükâfatlandırırız.

105. Gij hebt de droom reeds vervuld. Zo belonen Wij inderdaad degenen, die goed doen."

106. Bu, gerçekten, çok açık bir imtihandır.

106. Dit was voorzeker een grote beproeving.

107. Biz, oğluna bedel ona büyük bir kurban verdik.

107. En Wij verlosten hem door een groot offer.

108. Geriden gelecekler arasında ona (iyi birnam) bıraktık:

108. En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet):

109. İbrahim'e selam! dedik.

109. "Vrede zij Abraham."

110. Biz iyileri böyle mükâfatlandırırız.

110. Zo belonen Wij hen die goed doen.

111. Çünkü o, bizim mümin kullarımızdandır.

111. Voorwaar, hij was één Onzer gelovige dienaren.

112. Sâlihlerden bir peygamber olarak O'na (İbrahim'e) İshak'ı müjdeledik.

112. Wij gaven hem het blijde nieuws van Izaäk, een profeet onder de rechtvaardigen.

113. Kendisini ve İshak'ı mübarek (kutlu ve bereketli) eyledik. Lâkin her ikisinin neslinden iyi kimseler olacağı gibi, kendine açıktan açığa kötülük edenler de olacak.

113. En Wij zegenden hem en Izaäk. En er zijn er onder hun nageslacht die goed doen en anderen die zichzelf openlijk onrecht aan

Omhoog