Verslag van mijn zoektocht

Vorige Start Omhoog Volgende

De kelder verkennen 
Moeders prinsje 
Vader op een zijspoor gezet  
Droom: aquarium verhuizen 
De strijd met mijn vader 
Drie maal een breuk 
Pech voor mijn geest 
Het verder verkennen van de kelder 
De oedipale driehoek 
De rollen en verhoudingen veranderen 
Op de bodem van de put 
In revisie 
Gereviseerd verder gaan 


Men zal bijvoorbeeld agressiviteit, verdriet, onmacht, verzet ... en zo meer, als zinvol deel van het mens-zijn moeten erkennen, zowel bij zichzelf alsook bij anderen, en waar mogelijk moeten kunnen en willen herkennen in het eigen belevings- en ervaringskader. Dat is nogal wat. Het vergt dat men zijn eigen schaduwkant ook onderkent en als zinvol deel van zichzelf accepteert.
Gieles, Conflict en Contact, 1992, p. 238.
 

 

De kelder verkennen 

In de gehele zoektocht speelden dromen een cruciale rol. Dromen spreken in hun eigen taal, de analoge taal. Ze vertellen de dingen die je in het waakbewustzijn hebt weggestopt in de kelder van je ziel. Maar daar blijven ze wel leven. 

 

Ze willen er wel eens uit, uit die kelder en zodra ze een kans zien, een crisis, een therapie, komen ze tevoorschijn.

Daar in die kelder moeten we zijn om ons ware ik te ontdekken en te herstellen, om onszelf te helen, weer heel te worden en de verdrongen aspecten alsnog te herkennen en toe te laten.


Het kost ons een heel leven om de toestand van zelfaanvaarding waarmee we geboren zijn te herwinnen. Het aantal vragen neemt jarenlang toe, en in de geheime grotten en donkere kelders van de psyche schuiven we zo veel mogelijk twijfel, schaamte, schuld en angst als we kunnen. Die gevoelens blijven leven, hoe diep we ze ook verstoppen. Alle innerlijke conflicten die we zo moeilijk verzoenen kunnen, brengen ons op het spoor van een schaduw-zelf.
Chopra 1995, p. 97
.


Zo geboren, verlang ik geen ander te zijn dan die ik ben, en ik zal weten wie ik ben.

Oedipus in Koning Oedipus, Sophocles
.

Het eerste droombeeld was een grote sterke boze olifant. Die konden we niet zo snel duiden, behalve dan als een kennelijk sterke kracht die los wilde komen. In een therapie vertel je dan je associaties, zo wordt je ook gevraagd: datgene wat spontaan in je opkomt. Dat was dan de gedachte aan mijn vader. Ik mocht die man niet, ik beleefde hem als een boze man waar ik bang voor was en waar ik voor wegvluchtte, net als voor die olifant. 

 

Moeders prinsje

Er was meer in die kelder van mijn ziel, want ik droomde ook over de kleine prins die daar prinsheerlijk in een kelder lag te slapen in een heel mooi kamertje en bedje. Volgens de therapeut wees dit op de baarmoeder en het verlangen om naar die veilige plek terug te keren. Gevraagd naar associaties, zoals in een therapie gebruikelijk is, kwamen we al snel over mijn moeder te spreken. Dit ging mij beter af dan het spreken over mijn vader; daar had ik aanvankelijk grote weerstand tegen. Over mijn moeder wilde ik best vertellen, dat was een aardige hartelijke zorgzame vrouw, een engelachtig wezen.

Duidelijk was dat mijn innerlijk beeld van mijn ouders zwart-wit was getekend: mijn moeder als engel en mijn vader als engerd. Dit zegt weinig over de mensen zoals ze waren, het zegt over hoe ik ze als kind beleefd heb, hoe ze als innerlijk beeld door mij zijn neergezet en in mij zijn opgeslagen.

Herinneringen aan mijn moeder kwamen al snel associatief op:

Ik kocht voor mijn moeder een haring, op de heenweg naar school en stak ‘m in mijn broekzak. Na schooltijd bleken haring en broek bedorven te zijn. Het verwijst naar een niet bewuste 'verliefdheid' op de moederfiguur. In een droom van een visvrouw in Delft echter kwam al de andere kant hiervan naar boven: diepe angst voor de levende moten vis en de vrouw: voor seksualiteit en vrouwelijkheid. 
 

Dezelfde moeder ging een nieuwe broek met mij kopen - een bijzonderheid in het gezin van de afgedragen afdankertjes van de broers. Ik koos het kortst denkbare broekje uit de hele zaak en showde hiermee. Ook dit verwijst naar erotische verlangens t.o.v. de moederfiguur. 
 

Ieder had zo zijn taken in het grote gezin. Mijn taak is altijd geweest het helpen van mijn moeder met boodschappen doen en met koken. Ik was dus heel vaak bij haar. 
 

Al heel jong stak ik 's morgens de kachel aan en zette er een grote pan met pap op. De taak hield niet meer in dan als eerste opstaan en een lucifer bij de kachel houden; de pan stond er al op, ik hoefde alleen nu en dan te roeren. Mijn moeder had de avond tevoren alles al voorbereid. Het Oedipale trekje aan het verhaal is dat ik dit in mijn beleving deed voor haar. De taak bood nog een groot voordeel: door zo vroeg op te staan kon ik mijn vader ontlopen. Toen ik groot genoeg was deed ik dit door vroeg naar de kerk te gaan, voordien door in een hoekje te kruipen. 

 

Hiermee belande ik dus al in de Oedipale toestanden: moeder adoreren en vader ontlopen. Maar het is  niet zo gemakkelijk als het verhaal algemeen verteld wordt. Er bleek immers een erotisch verlangen naar mijn moeder in mijn ziel te huizen, maar ook een diepe angst voor vrouwelijke seksualiteit. Dat laat zich niet zo snel combineren, al zeker niet voor een heel jong kind. Vooralsnog lijkt het er op dat ik mijn moeder adoreerde als een engel, maar ze moest wel engel blijven: een verheven wezen zonder lichaam of seks, niet een wezen met een vrouwelijk lichaam en vrouwelijke seksualiteit. 

Vader op een zijspoor gezet

Mijn vader ontliep ik zo veel mogelijk. Met veel moeite kon ik associatief iets bespeuren van een vaag verlangen naar een vriendelijke, nabije en betrokken vader zoals ik hem ooit even gekend had, maar ik moest concluderen dat ik dit hele verlangen al erg jong naar de kelder van mijn ziel heb verbannen. Ik verlangde er dus niet meer naar. 

Nu is een kenmerk van dit soort verdrongen verlangens dat ze in de beleving griezelig zijn en dat ze door de verdringing alleen nog maar griezeliger worden. Dus blijven ze in die kelder. Uit het logboek, dus uit het dagboek:

Ineens herinnerde ik mij dat ik als ongeveer 15-jarige achter de piano zat en mijn compositie "Vissen" speelde (qua thema en vormgeving, veel harmonie en weinig dissonanten, een stuk met een hoog baarmoederlijk gehalte, zou je achteraf kunnen zeggen). Pa kwam thuis. Normaliter was ik dan allang tevoren naar boven gevlucht, maar pa was wat vroeger en ik had nog maar een bladzijde te spelen. Pa hoorde het, kwam achter mij staan, streelde (of zo) mijn schouders en zei dat hij het mooi vond.

Een beeld van klein huiselijk geluk? Nee: ik verkrampte. Ik vond 't vreselijk, vluchtte in paniek naar boven, huilde daar hevig en nam mij voor om nooit meer die fout te maken: beneden te zijn als pa thuis kwam. Die verkramping in mijn nek en schouders zit er nu nog. Je zou kunnen zeggen: zelfs een vriendelijke vader doorbreekt de symbiose met de moeder (de vis in het water) niet en brengt een panische angst teweeg.

Later, op 30 april 1959, heb ik in mijn dagboek een aanklacht tegen pa geschreven, een soort brief aan hem vol verwijten en weinig open vragen. Geen spoor van vergeving te bekennen.

Ik ontweek pa dus en vertikte het mij met hem te identificeren. 
Pas nu kom ik er achter dat ik daarmee ook mijn mannelijkheid naar de kelder heb verbannen en dus niet echt volop heb ontwikkeld. 

De therapeut: "Lastig, die vader- en moederfiguren... Ieder mens heeft ze, het zijn archetypen. Uiteindelijk zijn de vader én de moeder één Goddelijk Oerwezen en ik een oerkind (met oersoep...)." Met "oersoep" bedoel ik de nare gevoelens uit mijn vroegste jeugd. 

[Bij de therapeut] weer over mijn vader gesproken. Dat ik zijn brood bracht naar de fabriek, was helemaal niet zo positief, want hij negeerde mij vrijwel geheel. Hij zei "Oh, dank je" en ging door met zijn werk zonder op te kijken, zonder mij te zien. Later draaide ik dit om en ging hem negeren en vermijden. Pa was dominant in zijn afwezigheid. Zijn dreigend gemopper, bijvoorbeeld over zijn eten of over fietsen in de gang was gevreesd. Ik had medelijden met mijn moeder.

Droom: aquarium verhuizen

Eerst ga ik met mijn vrouw kijken naar een nieuw huis [...]. Een wat oud huis. Opvallend is de vorm van de kraan. Hij lijkt op een slang die toehapt. Ik wil hier eigenlijk helemaal niet wonen, maar het schijnt al besloten te zijn. Op de terugweg komt lijn 10 maar niet. Kan ik niet meer terug? We moeten een heel eind lopen.

Later zijn we bezig het aquarium te verhuizen, per tram. Als we echter aangekomen zijn, laat mijn vrouw alle water met vissen en al uit het aquarium lopen. De vissen die nog in het aquarium zitten, zitten zonder water. Ook op de vloer liggen vissen te spartelen, dood of levend. Ik wil snel water halen, maar dat lukt niet met die rare kraan: er komt alleen een toehappende - nu echte! - slang uit, maar geen water.

Dan zie ik ineens ook een klein konijntje, nat en dood op de grond liggen. Ik zie ook twee andere konijnen in een doos zitten: verwaarloosd en verminkt aan de rug en de kop. Een van die konijnen heeft een gat in de kop dat met een prop kranten is afgedekt. Dan komt er ook nog ineens een zwerver tevoorschijn. In deze griezelige situatie word ik wakker.

De therapeut zag er de geboorte in. Mijn vrouw die het aquarium leegt is de moeder die baart. Het kind moet nu naar lucht happen, het kan niet terug naar het water. De kraan ofwel slang verwijst naar de seksualiteit, die alles te maken heeft met het scheppen van nieuw leven en het baren. 

De konijntjes verwijzen naar het gevoel van kwetsbaarheid van het jonge kind. Hij zegt dat mijn 'automatische herstelprogramma', dat kennelijk in werking is, op dit zeer fundamentele niveau moet beginnen met de reparatie en daar kennelijk mee bezig is. Ik sprak immers kort daarvoor nog over de kleine prins en over mijn compositie Aquarium. De kleine prins komt te voorschijn en de vis moet nu zelf lucht happen. Een soort herbeleving van de geboorte dus. 

Hij ziet traumata in mijn aller-vroegste jeugd (couveuse, ziekenhuis, long- en oorontsteking, doodsstrijd, oorlog, depressie als jong kind) die de ontwikkeling en de individuatie, zeker de groei als jongen, behoorlijk belemmerd moeten hebben. 

Hij ziet ook een inhaal- en reparatieproces in werking dat mij goed doet en mij niet desintegreert. Ik kon dit zelf nog moeilijk overzien omdat ik er midden in zat. Vooralsnog zal ik dat negatieve Oedipuscomplex alleen maar bevestigd, hetgeen geen leuke ontdekking is om over jezelf te doen. Ik had geen idee hoe daar ooit weer eens uit te komen en zelfs geen idee of zoiets ooit nog wel mogelijk is. De Oedipale fase ligt immers rond de 4, 5 jaar en die was ik toch al ruimschoots voorbij.

De strijd met mijn vader

De therapeut ging met pensioen en hij regelde dat ik bij een andere kon komen. Dit duurde echter wel enkele maanden, in elk geval voor er daar echt van therapie sprake was. Het proces ging echter vanzelf verder, het was niet te stuiten. Er was kennelijk een zelf-herstel programma gestart. Als vanzelf ging ik mij bezig houden met de innerlijke figuur van mijn vader zoals ik die beleefd heb.

 Ik besefte dat er, behalve een 'zielige' oersoep, ook een soort oerstrijd in mij moest huizen.

 

Was de oersoep geconcentreerd rond de figuur van mijn moeder, die oerstrijd was geconcentreerd rond mijn vader. Inderdaad heb ik met hem zowat mijn leven lang alleen maar strijd gevoerd, voor zover ik hem althans niet kon ontwijken.

 

Oedipus streed met zijn vader (al wist hij het zelf niet) - nu, ik heb het wel geweten. 

Als baby heb ik tegen de dood moeten strijden. Ik heb vast niet alleen maar passief liggen huilen. Nee, mijn hele lijf en geest moet gevochten hebben om te overleven. 

Eenmaal thuis, belandde ik in een oorlogssituatie. "De Duitsers": woorden die dagelijks klonken en die het dagelijks leven verklaarden en regelden. Het ontlopen van De Duitsers was dagelijkse routine, het hen te slim af zijn was het streven. Er was een hongerwinter en te weinig eten. Maar van wat er wel was, at ik niet, zo herinner ik mij en bevestigde mijn moeder later. Dit wijst op een vroeg-kinderlijke depressie.

In augustus 1944 ging ik, drie jaar jong, met mijn ouders mee naar Nijmegen, naar mijn broer. Op de heenweg stond er een station, op de terugweg was het plat gebombardeerd. Dus zo machtig was die vijand en zo overal aanwezig, niet alleen in onze straat en bij ons vluchtadres. In plaats van dat ik ga huilen, loop ik stil en flink het hele stuk langs het spoor tot er een trein klaar stond. Die tranen kwamen later pas, toen er een stukje over in de krant stond.

Ook na de oorlog bleek hoe machtig de vijand was, toen ik heel het Bezuidenhout plat zag liggen. Er was een grote oppermachtige vijand die ons onmachtig en kwaad maakte, maar ook slim: strijden is niet alleen vechten, het is ook vluchten, ontlopen, de ander te slim af zijn of stille diplomatie. Een wanhopige strijd die toch gevoerd moet worden: op leven en dood. 
Dit model van slimme strijd en vlucht nam ik mee naar het volgende probleem. 

Ieder kind heeft de behoefte, het verlangen, om passief-afhankelijk te mogen zijn van zijn ouders in een intieme en liefdevolle, accepterende en bevestigende sfeer. Mijn moeder voldeed perfect aan dit verlangen, maar mijn vader niet - of eigenlijk 'ineens' niet meer. Ik vermoed dat dit gebeurde nadat alle kinderen weer thuis waren gekomen na de oorlog en het gezin dus ineens enorm groeide. Dit moet zijn aandacht opgeëist hebben. Bovendien moest er geld verdiend worden om al die monden te voeden.

 

In ieder geval herinner ik mij als heel klein kind nog wel eens bij pa op schoot gezeten te hebben, achter hem aan te lopen met een pijp in mijn mond (knap Oedipaal symbool dus) en met hem hand in hand naar het parkje te zijn gegaan om de eenden te voeren. 

 Maar ineens hield dit op. Ineens was pa 'weg' en als hij er was, was hij boos, eng, gevaarlijk, griezelig en onvoorspelbaar. Hij deed akelige dingen: mijn moeder uitschelden, mopperen, mijn zusje slaan en bedreigen, schelden, stompen en veel zwijgen. Pa werd onbereikbaar; misschien alleen nog in zijn boosheid bereikbaar, maar in die buien van hem was ik weer niet bereikbaar. 

Hier had ik dus een probleem: mijn verlangen naar passieve afhankelijkheid in een intieme en liefdevolle sfeer, naar bevestiging, werd althans door mijn vader 'ineens' helemaal niet meer vervuld. Dit moet wel een fikse frustratie geweest zijn op diep liggend niveau.

Drie maal een breuk

 Ik moet toen een soort besluit hebben genomen en ik herinner mij mijn houding hierin nog wel enigszins: 'O.K., pa, houd je liefde, je intimiteit en je bevestiging maar bij je, ik hoef ze niet meer. Je bent nu mijn vijand. Ik ga je bestrijden.' Mijn 4 à 5 jaar jonge geest koos (precies in de Oedipale fase dus) strijden als oplossing. Strijden was mij immers goed bekend, ik ben er in geboren en getogen; het was bekend terrein.

Ik besef dat het houden van de moeder en het bestrijden van de vader een "Oedipale situatie optima forma" is, zoals het onderzoeksrapport schrijft. Wat heet 'bestrijden'? Ik schafte hem af als vader, net zoals Oedipus deed met de zijne. Hup, weg met die man!

Zo rond mijn tiende jaar was er een tweede breuk. Er voetbalden kinderen op straat en de bal kwam tegen het raam. Pa belde de politie. Op dat moment knapte er iets in mij en nam ik definitief afstand van hem. Heel even maar voelde ik de haat, direct daarna verkilde ik weer. 

Het was in ons gezin niet gebruikelijk om buiten te spelen "met die asocialen, protestanten en heidenen". Toch deed ik dat wel en ik leefde erg op van het contact met de vitale kinderen buiten. Met de afwijzing van die straatkinderen, wees hij ook mij als vitaal jongetje af; alleen de stille zwakke grijze muis was voor hem aanvaardbaar. Dit is door broers en zussen wel bevestigd: wij werden geacht stil en netjes te zijn; lawaai, emotionele uitingen en andere vitaliteit was niet erg gewenst in het grote gezin in het vrij kleine huis. Alleen, zo zeiden zij later, "Wij trokken ons niets van Pa aan, maar jij maakte je er kennelijk wel druk om." Zo zie je hoe elk kind zijn eigen innerlijke keuzes maakt.

De strijd werd enkele jaren later extra vastberaden gevoerd, toen pa mij van het clubhuis (waar ik als vrijwilliger werkte) af wilde hebben ten gunste van mijn rapportcijfers. Maar ik was al vastberaden en strijdvaardig geworden door zijn houding tegenover de clubhuiskinderen die ik in huis bracht: 

 

"Hoe haal je het in je hoofd om dat straatschorem hier in huis te halen!

Deze woorden vormden de derde en definitieve breuk. Mijn keuze was al gemaakt: voor de straatkinderen, tegen pa. Samen met mijn moeder: deze gaf de kinderen thee en chocolademelk. Ik bleef stiekem en met allerlei slimme plannetjes op het clubhuis werken. 

 

Straatschorem' in huis: op mijn kamer. >

Het Oedipale addertje onder het gras is dat ik in de zorg voor deze vitale straatkinderen mijn moeder als zorgzame vrouw navolgde. Ik maakte er, dwars tegen de wens van mijn vader in, mijn beroep van. Dit was slim van mijn geest, want niet alleen kon ik zo mijn Oedipale situatie handhaven, ook werkte het nog als pijnstiller. Als oudere jongen neem je meer afstand van je moeder en juist zij was altijd mijn grote pijnstiller geweest. 

Door nu zelf voor kinderen te gaan zorgen, spiegelde ik die situatie: nu was ik de pijnstiller voor de kinderen - en voor het kind in mij. 

Meer nog: dit waren straatkinderen, vitale kinderen die ik om mij heen had. Juist mijn vitaliteit was bij mij in de kelder gestopt - door mijn vader, maar bij nader inzien ook door mij omdat ik dit liet gebeuren. Nu had ik mijn verdrongen zelf, het vitale en emotionele kind, om mij heen en zo kon ik mij weer heel voelen - of wanen.

Vitaliteit om mij heen, 1961  >

 

 

Om de Oedipale lijn weer op te pakken: ik bleef weigeren om mijn vader als vader te accepteren. Zo weigerde ik elke bijdrage van hem, hoger dan de kinderbijslag, en verdiende mijn brood en studie verder zelf als werkend student: de jonge groepsleider - met vitaliteit om mij heen.

Pech voor mijn geest 

Mijn geest dacht slim te zijn door zo rond mijn vijfde jaar te kiezen voor de strijd als 'oplossing' van het probleem van de diepe frustratie t.o.v. mijn vader. Mijn geest hoopte natuurlijk dat dan al strijdend meteen even de weggestopte gevoelens uit de eerste en tweede oerstrijd mee verwerkt konden worden. Pech, beste geest, dit is nu juist helemaal niet gebeurd.

Alleen in het begin voelde ik nu en dan heel even haat- en wraakgevoelens opkomen, ook wel eens machteloosheid, kwaadheid, frustratie. Maar heel snel daarna kon ik die gevoelens in de kelder stoppen, kon ik verstenen, kil, flink en vastberaden worden. Er kwamen alleen maar meer gevoelens erbij in die doofpot van mij. En hoe voller deze werd, hoe enger de inhoud werd, hoe beter hij maar gesloten kon blijven. Dit werkt als een vicieuze cirkel.

De strijd is ook niet gevoerd met kwade woorden, uitingen van boosheid, heftige woorden of agressieve methoden. De strijd is altijd stilletjes en slim gevoerd, met uitwijkmanoeuvres en stille diplomatie.

Het verder verkennen van de kelder 

Inmiddels was de tweede therapeut echt begonnen. Was bij de eerste therapeut vooral de kindertijd en de moeder-zoon verhouding besproken, nu komt de vader-zoon verhouding meer in beeld en ook de puberteit als levensfase. Ver voor de puberteit had ik al een keuze gemaakt: ik had mijn vader 'afgeschaft' als vader. Normaliter volgt een jongen zijn vader na om de liefde van zijn moeder te winnen, ik deed mijn moeder na. Men noemt dit 'de negatieve oplossing van het Oedipuscomplex'.

In de kindertijd geeft dit niet zulke grote problemen, maar in de puberteit ontstaat er een probleem. De jongen komt dan losser van de moeder te staan en gaat man worden. Dan heb je een mannelijke identiteit nodig, maar op de een of andere manier was ik hier kennelijk niet aan toe. Ik koos ook niet de sport, maar de wetenschap, cultuur en kunst als bezigheid. Ik heb toen jaren gewerkt aan een compositie over de Griekse held Perseus. Deze doodde een gevaarlijke vrouw, wier blik kon verstenen, door haar slechts in een spiegel te zien en zo te benaderen zonder haar aan te kijken. Dit mythische verhaal geeft het afstand nemen van de moederfiguur weer, denk ik. Uiteraard bevrijdt de held daarmee zijn bruid, met wie hij zijn leven als man kan beginnen. 

In mijn heel jonge volwassenheid schreef ik, in militaire dienst, enkele verhalen over de clubhuiskinderen die ik toen gitaarles gaf. Ik heb deze bewaard en herlezen. Pas nu, veertig jaar later, zag ik ineens hoezeer ik daar mijn eigen ziel in heb beschreven. Ik had dit toen niet in de gaten. Laten we aannemen dat ik toen zo zuiver mogelijk die kinderen heb aangevoeld, maar hun verhaal en beleven waren voor mij toch wel heel herkenbaar. In beide verhalen worstelen de jongens met hun ouderfiguren, in het bijzonder met de vaders - zie De Teddy Bear  en in het verhaal Ik zal buiten op je wachten zie je de stille grijze muis a.h.w. ontstaan en rondsluipen door het huis.

Zo verkende ik de inhoud van de kelder van mijn ziel, de schaduwkant waar de verdrongen zaken liggen. Ik trof daar o.a. aan dat ik mij, kennelijk onbewust, toch voor een deel wel met mijn vader heb geïdentificeerd, namelijk het vermogen om hard en systematisch te werken en veel te archiveren heb overgenomen. 

Er komt nogal wat beweging in mijn ziel, zich uitend in vele dromen. Verwaarloosde dieren krijgen hokken en voer bijvoorbeeld. Maar ook droom ik van een onvervalst homoseksuele scène met een van mijn vroegere bazen, duidelijk een representant van de vaderfiguur. 

Hier zat ik nou niet op te wachten. Je gaat in therapie om minder problemen te hebben en niet om er nog eens een bij te krijgen. Wat moest ik aan met homoseksuele dromen? En dan nog wel met een vaderfiguur? Vreemd gedoe, daar in die kelder. Moet dat nou allemaal naar boven komen? Het bleek niet te stuiten. De beer was los - in mijn geval de olifant.

De Oedipale driehoek

Zo'n driehoek houdt zichzelf in stand: ik samen met mijn moeder tegen mijn vader. Het is wel de oedipale driehoek waar de jongen uit moet ontsnappen door zijn vader na te gaan doen [*]. Niet dus, in elk geval niet bewust. 

[* Het beeld van een driehoek is niet helemaal juist. Het is eerder een V- of T-vorm: twee samen tegen een. Verderop corrigeer ik dit beeld aan de hand van recente literatuur. De jongen moet bij nader inzien niet uit de driehoek ontsnappen maar uit de T- of V-vorm stappen en de driehoek juist als driehoek erkennen.]

De Oedipale driehoek

In een andere droom lijk ik hier toch uit te stappen: ik vind het best dat mijn oude baas, dezelfde representant voor de vaderfiguur, bij mijn vrouw slaapt (die ik op dat moment als de moederfiguur beleef). Ik geef de moederfiguur a.h.w. weer terug aan de vaderfiguur en word zelf weer kind i.p.v. partner van mijn moeder.  In de droom treedt daarna intimiteit op met de vaderfiguur: het verdrongen verlangen. 
 

Hier gebeurt dus iets. Een dergelijke droom is er niet zo maar. Een droom is een emotionele daad op fundamenteel niveau in analoge taal. In digitale taal (woorden) kun je liegen, in analoge taal kan dit niet. Je kunt er niet meer omheen. Niet alleen herstel ik de driehoek door de band tussen vader en moeder te erkennen, ook is nu een betere vader-zoon verhouding mogelijk. 

Nu toont zich het verdrongen verlangen naar intimiteit met de vaderfiguur. Dat is nog wel even iets anders dan afschaffen en bestrijden van de vaderfiguur. 


De oedipale situatie begint te dagen als het kind ontdekt dat de ouders een elkaars partners zijn, hoe primitief of gedeeltelijk deze ontdekking ook is. Dit wordt gevolgd door de rivaliteit van het kind met een der ouders vanwege verlangen naar de andere. 
Het lost zich op als het kind zijn seksuele verlangen naar de ouderfiguur opgeeft en de realiteit van hun seksuele relatie accepteert.

Britton 1989, p. 85
.

Waarschijnlijk heeft deze onbewuste maar cruciale stap het vervolg mogelijk gemaakt. Ik was er namelijk nog niet. Eén cruciale droom bleek niet voldoende, er volgden er heel wat meer.

De rollen en verhoudingen veranderen 

Dit gebeurt allemaal in de vorm van dromen, maar er zit een duidelijke lijn in. Om te beginnen maak ik mij los van mijn moeder. Ik neem steeds meer afstand van haar en beleef haar ook steeds meer als afstandelijk, tot onbereikbaar toe. In het grote gezin was dit feitelijk vast wel zo, maar die beleving, daar wilde ik toen nog niet aan. Mijn moeder gaat ook dood in een droom. Ik breng haar in een pakketje weg. Ik ga, in een andere cruciale droom, van haar weg en ga naar de vaderfiguur toe.

De vaderfiguur heeft in deze dromenreeks ook een lange weg afgelegd. Eerst wordt hij twee maal regelrecht vermoord. Verder wordt hij beleefd als afstandelijk en onbereikbaar. 

Maar dit verandert gaandeweg. Hij treedt op als gids en wordt beleefd als wijs en ontspannen. Vervolgens verschijnt hij, althans een figuur die naar hem verwijst qua karakter, zelfs als minnaar - waar ik natuurlijk wel even van opkeek. 


Je leert misschien langzaam en onverbiddelijk dat de sleutel echt in het donker ligt en dat je, als je datgene kunt omhelzen wat je het meest tegenstaat, een heel mens zou kunnen worden.

Zweig & Abrams 1996, p. 396
.


Je schaduw kan genezen worden door hem te omhelzen.

Als je schaduw genezen is verandert hij in liefde.

Chokra 1996, p. 99
.

 

Dan verdwijnen beide ouders uit beeld: ze gaan om beurten steeds dood. Ik sta er alleen voor en wil dit nu kennelijk ook.

Dan keren ze weer terug, maar in andere rollen en verhoudingen. Mijn moeder bezie ik veel kritischer. Ik zie haar feitelijke afstandelijkheid en haar onbereikbaarheid. Mijn vader daarentegen komt a.h.w. tevoorschijn op een veel positievere wijze: een bekwaam man die een hoop presteert en iets te bieden heeft als voorbeeld, als perspectief. Hij geeft mij gereedschap mee. Dit beeld herhaalt zich zelfs enkele malen.

Op de bodem van de put

Er volgt dan een herhaling van de voorgaande thema's. In het voorgaande waren de dromen, de uitleg en de thema's ervan nog enigszins helder en goed te verteren. Nu werd dit anders. 

Kennelijk moest ik dezelfde weg nog eens gaan, maar dan met meer doorleefd gevoel, en wel vooral met veel negatieve gevoelens. Ik zat op de bodem van de put, kon niet verder maar ook niet omhoog. Die putten en andere dieptes uit mijn dromen hadden veelal nog een zijgang, donker en vast wel een griezelig beest herbergend. Kennelijk moest ik ook die gang eens in. 


[Je moet] de mythe van binnenuit volgen. Dat vraagt dat je het verhaal van Oedipus niet buiten je plaatst, maar dat je het ook in je wilt ontdekken. [...] Het is al heel moeilijk om deze mogelijkheden tot je bewustzijn toe te laten, laat staan om ze tot in je gevoelens te laten doordringen. Moeilijk en huiveringwekkend, maar niet onmenselijk.

Korteweg e.a. 1996, p. 130
.

Ik noem maar kortweg even wat droombeelden op die verschenen.

Ik maak een afvoerputje in een keuken schoon met de hand, na de afwas. Daar komt me toch een hoop vette vochtige zwarte modderige draderige troep uit te voorschijn... Daarna nog weer vissen, dode en levende. Ik probeer alles te ordenen, maar ik moet overgeven: ook uit mijn keel moet ik van die lange zwarte draden trekken... Dit was echt wel griezelig.

Ik ga 'afrekenen' met Pa. Later zeg ik hem "En nu is het afgelopen!" als hij weer eens ruzie met mijn moeder maakt.

De grote hoeveelheden verwaarloosde dieren, op sterven na dood, komen weer allemaal terug. Nu verschijnen er ook dode dieren en zelfs een serie kinderlijkjes. Eng!

Mijn ouders gaan om beurten dood. Dan komt een man in een wit pak mij halen.

En weer verschijnen er olifanten. Nu echter tamme, die van een circus.

 

 

De therapeut zegt hierover: "Dat afvoerputje is niet alleen negatief: het is goed dat het leeg komt. Het herbergt vroeg-kinderlijke depressies, angsten en agressiviteit die er nu uit kunnen." 

Over die diepe put: "Die kelderbeelden zijn allemaal erg zwart-wit. Het zijn kinderlijke emoties, niet uitgebalanceerd, wellicht daarom juist verdrongen. Niet beleefd en doorlopen, maar meteen weggedaan. Hup, naar de kelder ermee. Nu dus maar wel doorvoelen en doorleven. Dit gaat prima in de nacht, zolang je overdag maar verstandig blijft handelen."
Ook zegt hij, een andere keer: "Je houdt ze ook niet tegen, die olifanten, de krachten uit je jeugdjaren die je beïnvloed hebben. De naar de kelder verbannen krachten, ze komen los – en ze vallen mee." 

Nu, dan zijn het wel verdraaid sterke krachten, daar in die kelder. Zolang je er in zit, in die put of kelder, lijkt er niets te veranderen. Dit blijkt daarna echter wel te gebeuren.


De weg naar beneden leidt de duisternis in, de donkere nacht van de ziel, naar de schaduwkanten van het bestaan. Deze weg brengt ons tot onze eigen pijn, onze machtswellust, onze gekwetstheid en destructie.
Het zijn kanten die we liever niet willen weten van onszelf. het is de duivel, de zonde, de liefdeloosheid, het dierlijke en primitieve in de mens. Althans, zo zal het op het eerste gezicht lijken.
Achter de pijn ligt mededogen, achter de destructie ligt oprechte daadkracht en passie en achter het dierlijke ligt de toegang tot onze eigen instinctieve en creatieve vermogens.
[...]
Als de weg naar beneden niet in de puberteit wordt afgelegd, treedt hij vaak op latere leeftijd op in de vorm van een mid-life crisis. Op het hoogtepunt van ons leven begint plotseling de afdaling.
Ton van der Kroon 1996, p. 29 & 30.
.

Zo droom ik twee keer van mijn moeder in voor haar weinig vleiende beelden: eerst als een onaangenaam strenge en harde vrouw, dan verschijnt zij als een bitse heks die ook nog eens vergezeld is van een spook en vervolgens vindt er door haar een regelrechte moord op mijn vader plaats, waarover ze alleen mij inlicht: een puur Oedipaal beeld. 

Ik daal kennelijk steeds dieper af in de schacht van het onbewuste. De therapeut zegt hierover: "Daar moeten de sleutels liggen en langzaam worden deze zichtbaar."
 In elk geval neem ik afstand van de moeder figuur en het neurotische nadoen daarvan, alsook van de rol van prinsje+partner, afstand ook van de neiging tot symbiose. Dit interfereerde in de zorg. Ik neigde er toe symbiotische relaties aan te gaan. Dit kan heilzaam zijn, maar je moet ze ook weten te beëindigen en daar had ik moeite mee.

Dat spook: is dat pa? Of een verborgen kant van ma? Of van mijzelf? 
Al die konijnen: vreedzame vegetarische dieren, maar ook een symbool van vruchtbaarheid en voortplanting, dus van seksualiteit... 


In revisie

Nu, drie maal is scheepsrecht: nadien verandert er iets. Ik lijk mij andermaal los te maken van de moederfiguur en ruimte te scheppen voor de man- en vaderfiguur. De moeder verschijnt daarna weer gewoner en in meer  reële gestalte. Later verscheen Pa in een droom, maar nu als vriendelijke demente man zoals hij op het eind van zijn leven was, niet meer als bullebak. Ik heb een gevoel dat ik beide ouderfiguren nu wat minder zwart/wit, wat reëler en vooral wat milder kan bezien, dat ik ze, anders dan in 1959, kan vergeven.

Kennelijk moest ik deze weg in de donkere diepten nog eens gaan, zoals Odysseus langs de Hades moest gaan om thuis te komen. Om van de moeizame tocht van de blinde Oedipus nog maar te zwijgen. Ik voel nu dat ik ook weer verder kan en dit gebeurt inderdaad ook.


[...] door alle eeuwen heen komen we verhalen tegen over de afdaling van de ziel, de weg die we moeten afleggen in tijden van chaos en verandering om de orde te herstellen, de weg die leidt naar de essentie van ons bestaan, die niet in woorden of beelden te vangen is, maar die we slechts kunnen raken door het leven wat ons gegeven is, bewust te leven.
Ton van der Kroon 1996, p. 33
.

De therapeut merkte wel op dat ik, ondanks het grote gezin, overal alleen voor stond en in feite eenzaam was, qua gevoelens aan mijn lot overgelaten. Dit roept een diep gevoel van angst en onveiligheid op bij een kind. Afweer is dan noodzakelijk. Omdat die diepere gevoelens, de oersoep, nu geleidelijk aan verwerkt zijn, is die afweer niet meer nodig en kon deze gaan afbrokkelen.

Gereviseerd verder gaan 

Intussen vindt de therapeut dat er voldoende op fundamenteel niveau is veranderd en dat ik mijn weg heus verder wel zal weten te vinden. Hij gaat het wat kalmer aan doen en ik ga op eigen kracht verder.

In diverse werkboeken blokkeerde ik altijd op het hoofdstuk over de vader. Enkele van die boeken geven dan als taak op: schrijf een brief aan je vader. Dit had ik nooit gekund. Nu hakte ik de knoop door en heb 'm eindelijk eens geschreven. Hij begint met kritische vragen en verwijten, precies zoals de brief die ik in 1959 'aan hem' schreef in mijn dagboek, maar nu eindigt de brief met vergeving

De dromen gingen door, minder in aantal maar niet in intensiteit. Soms ook griezelige dromen, over dood en leven. Bij de therapeuten zijn deze steeds uitgelegd op psychisch niveau. Nu had ik de ruimte en de vrijheid om ze eens meer op spiritueel niveau te gaan interpreteren: het niveau van dood en leven(s).

Op enkele punten kwam ik tot een nieuwe interpretatie van enkele indringende ervaringen of dromen. Ik zag deze nu niet meer als de lijn in mijn leven, maar eigenlijk als de lijn van mijn overleven.

 Om dit in te zien, moest ik niet zozeer naar de vitale kinderen om mij heen, als wel naar het vitale kind in mij terugkeren en dit eens de ruimte geven. Het kind en de wijzere oudere integreren dan tot een geheel op een volgend niveau: heelheid zonder projectie of zoiets nodig te hebben.

Heel wat dieren zijn gepasseerd in mijn dromen sinds die eerste boze olifant, vooral konijnen. Deze waren vaak op sterven na dood. Toch overleefden ze. De vitaliteit beek uiteindelijk sterk genoeg om te overleven. En de olifant werd tam.

 

Vorige Start Omhoog Volgende