Op de bodem van de put

Vorige Start Omhoog Volgende  


"Er is moed voor nodig om een stap naar beneden te doen, om de helderheid, hoe illusoir ook, op te geven voor verwarring en verbijstering."

Thomas Moore, 2001, p. 77


Er volgt dan een herhaling van de voorgaande thema's - min dan dat narcisme want dat lijkt af te slijten en pas dan kan de minder fraaie werkelijkheid eens naar voren komen. In het voorgaande waren de dromen, de uitleg en de thema's ervan nog enigszins helder en goed te verteren. Nu werd dit anders. 

Kennelijk moest ik dezelfde weg nog eens gaan, maar dan met meer doorleefd gevoel, en wel vooral met veel negatieve gevoelens. 


"Het was cruciaal," schrijft Symington bij het bespreken van een voorbeeld, "dat hij de bodem van de put had bereikt." (1993, p92)
.

Ik ben moe, somber en kan alsmaar de slaap niet vatten. Er lijkt niets veranderd in vele jaren, alles blijft maar hetzelfde. Ik zit op de bodem van de put, kan niet verder maar ook niet omhoog. Die putten en andere dieptes uit mijn dromen hadden veelal nog een zijgang, donker en vast wel een griezelig beest herbergend. Kennelijk moest ik ook die gang eens in. 

Ik noem maar kortweg even wat droombeelden op die verschenen.

Ik maak een afvoerputje in een keuken schoon met de hand, na de afwas. Daar komt me toch een hoop vette vochtige zwarte modderige draderige troep uit te voorschijn... Daarna nog weer vissen, dode en levende. Ik probeer alles te ordenen, maar ik moet overgeven: ook uit mijn keel moet ik van die lange zwarte draden trekken... Dit was echt wel griezelig.

Ik ga 'afrekenen' met Pa. Later zeg ik hem "En nu is het afgelopen!" als hij weer eens ruzie met mijn moeder maakt.

De grote hoeveelheden verwaarloosde dieren, op sterven na dood, komen weer allemaal terug. Nu verschijnen er ook dode dieren en zelfs een serie kinderlijkjes.

Mijn ouders gaan om beurten dood. Dan komt een man in een wit pak mij halen.

En weer verschijnen er olifanten. Nu echter tamme, die van een circus.

De therapeut zegt hierover: "Dat afvoerputje is niet alleen negatief: het is goed dat het leeg komt. Het herbergt vroeg-kinderlijke depressies, angsten en agressiviteit die er nu uit kunnen. Als ik mijn kindertehuis nog niet kan loslaten, moet ik doorzoeken naar de vroeg-kinderlijke innerlijke conflicten die hieraan ten grondslag liggen." 
Over die diepe put: "Die kelderbeelden zijn allemaal erg zwart-wit. Het zijn kinderlijke emoties, niet uitgebalanceerd, wellicht daarom juist verdrongen. Niet beleefd en doorlopen, maar meteen weggedaan. Hup, naar de kelder ermee. Nu dus maar wel doorvoelen en doorleven. Dit gaat prima in de nacht, zolang je overdag maar verstandig blijft handelen."
Ook zegt hij, een andere keer: "Je houdt ze ook niet tegen, die olifanten, de krachten uit je jeugdjaren die je beÔnvloed hebben. De naar de kelder verbannen krachten, ze komen los Ė en ze vallen mee." 

Nu, dan zijn het wel verdraaid sterke krachten, daar in die kelder. Zolang je er in zit, in die put of kelder, lijkt er niets te veranderen. Dit blijkt daarna echter wel te gebeuren.

Zo droom ik twee keer van mijn moeder in voor haar weinig vleiende beelden: eerst als een onaangenaam strenge en harde vrouw, dan verschijnt zij als een bitse heks die ook nog eens vergezeld is van een spook en vervolgens vindt er door haar een regelrechte moord op mijn vader plaats, waarover ze alleen mij inlicht. 

Ik daal kennelijk steeds dieper af in de schacht van het onbewuste. De therapeut zei hierover: "Daar moeten de sleutels liggen en langzaam worden deze zichtbaar."


Een man zal in eerste instantie de donkere kant van zijn moeder moeten leren kennen. Zolang hij dat niet doet, zal hij vasthouden aan een lief en verzorgend, maar eenzijdig beeld van zijn moeder 
(p. 71)
Ze zal hem willen bezitten, in spookjesterminologie: opeten. Ze zal op elke mogelijke wijze proberen haar zoon klein te houden, een jongen, want als hij zou opgroeien en emotioneel onafhankelijk zou worden, zou hij haar lieve kleine jongen niet meer zijn.

Ton vd Kroon 1996, p. 69

"Je leert misschien langzaam en onverbiddelijk dat de sleutel echt in het donker ligt [...]" (Zweig & Abrams 1996, p. 396)

 

 In elk geval neem ik afstand van de moeder figuur en het neurotische nadoen daarvan, alsook van de rol van prinsje+partner, afstand ook van de neiging tot symbiose. Dit interfereerde in de zorg. 

Dat spook: is dat pa? Of een verborgen kant van ma? Of van mijzelf? 
Al die konijnen: vreedzame vegetarische dieren, maar ook een symbool van voortplanting! 


Ik kom wel uit bij seksuele energie die voor mij uitgaat van kinderen, vooral jongens, en die niet gericht is op voortplanting, wel op intimiteit. 

Nu, drie maal is scheepsrecht: nadien verandert er iets. Ik lijk mij andermaal los te maken van de moederfiguur en ruimte te scheppen voor de man- en vaderfiguur. De moeder verschijnt daarna weer gewoner en in meer  reŽle gestalte. Later verscheen Pa in een droom, maar nu als demente man, niet meer als bullebak. Ik heb een gevoel dat ik beide ouderfiguren nu wat minder zwart/wit, wat reŽler en vooral wat milder kan bezien, dat ik ze kan vergeven.

Kennelijk moest ik deze weg in de donkere diepten nog eens gaan, zoals Odysseus langs de Hades moest gaan om thuis te komen. Ik voel nu dat ik ook weer verder kan en dit gebeurt inderdaad ook.

Vorige Start Omhoog Volgende